Onderdelen van CAT

Voordat er hulpmiddelen en strategieën ingezet kunnen worden is het van belang om drie onderdelen van CAT te doorlopen. Allereerst wordt een omgevingsinterview bij iemand afgenomen om erachter te komen welk doel(en) iemand heeft. Daarna worden een aantal korte cognitieve testjes afgenomen: De Frontal Assessment Battery. Op basis van deze testjes wordt een score bepaald die weergeeft in hoeverre iemand problemen heeft in het executief functioneren. Tot slot wordt de Frontal System Behavioral scale ingevuld over iemand. Deze vragenlijst geeft een indicatie van de manier waarop cognitieve problemen zich uiten in zichtbaar gedrag.

Wanneer de bovenstaande onderdelen zijn uitgevoerd worden de resultaten samengevat in een zogenaamd CAT-plan. Naar aanleiding van iemands wensen wordt samen met iemand bepaald aan welk doel(en) hij of zij wil werken. Gekeken wordt in hoeverre iemand problemen ervaart in het executief functioneren en hoe deze zich uiten in gedrag. Vervolgens worden hulpmiddelen gekozen die helpen om de cognitieve problemen te omzeilen en zo dichterbij iemands doel te komen. Hierbij is het van belang om rekening te houden met iemands individuele behoeften, omdat CAT een persoonsgebonden interventie is.


Omgevingsinterview

Om in kaart te brengen welke wensen en doelen iemand heeft, wordt een interview afgenomen in iemands leefomgeving. In dit interview worden zestien levensdomeinen aangekaart, waaronder: koken, persoonlijke verzorging, sociaal functioneren en vrijetijdsbesteding. Tijdens het interview vragen we iemand om te vertellen hoe hij/zij dagelijkse activiteiten uitvoert en wat voor materialen iemand hierbij gebruikt. Omdat het interview in iemands leefomgeving plaatsvindt, kan gelijk gekeken worden of iemand bepaalde spullen mist. Het doel van het interview is om te achterhalen wat iemands wensen en doelen zijn.

Het interview bestaat uit zestien levensdomeinen en daardoor kan het lang duren om het hele interview bij iemand af te nemen. Hierdoor raden we aan om het interview in gedeeltes af te nemen. Waarschijnlijk zijn er bepaalde onderwerpen die zeer interessant zijn om uit te vragen bij iemand, dan is het goed om deze als eerst uit te vragen. Ook zijn er onderwerpen die niet van toepassing zijn op de persoon of waarover je al voldoende informatie hebt. Sla deze onderwerpen dan gerust over. Om een formele interview setting te voorkomen is het prettig als je van te voren al bedacht hebt welke onderwerpen je wilt uitvragen aan iemand. Zo kun je gewoon het gesprek aangaan en krijg je tegelijkertijd antwoord op de vragen. Natuurlijk is het ook mogelijk om het interview in meerdere keren af te nemen.


Executief functioneren

Het is niet voor niets dat iemand er niet in slaagt om wensen en doelen niet te kunnen verwezenlijken. Cognitieve problemen kunnen ervoor zorgen dat iemand vastloopt tijdens dagelijkse bezigheden of andere activiteiten. Bij het uitvoeren van activiteiten in het dagelijks leven spelen de executieve functies een belangrijke rol, daarom focust CAT zich op dit domein van cognitie. Naast executieve functies zijn geheugen en aandacht ook domeinen van cognitie.

Executieve functies zijn betrokken bij verschillende functies van gedrag, waaronder: plannen en organiseren, structuur aanbrengen in gedachten en gedrag, het monitoren van je eigen vooruitgang, flexibel kunnen denken en het inhiberen van gedrag. Stoornissen in de executieve functies zorgen ervoor dat iemand er niet in slaagt om alle stappen die nodig zijn om een taak uit te voeren te overzien. Hierdoor weet iemand niet waar hij moet beginnen. Ook kan het zijn dat iemand niet goed doorheeft wanneer zijn gedrag niet leidt tot het gewenste resultaat of niet weet hoe hij zijn gedrag moet aanpassen om een taak succesvol af te maken.

Bij CAT wordt gekeken naar de mate waarin het executief functioneren aangedaan is. Dit wordt gedaan omdat de mate waarin iemand executieve functie problemen ervaart, bepaalt hoe de interventie (het hulpmiddel) vormgegeven moet worden. Zo kan een hulpmiddel specifiek en persoonsgebonden ingezet worden.

Om het executief functioneren in kaart te brengen, wordt de Frontal Assessment Battery (FAB) gebruikt. Dit is een korte screeningstest die bestaat uit een aantal korte testjes en duurt in totaal ongeveer 10-15 minuten om af te nemen.


Gedragsuiting

Wanneer iemand cognitieve stoornissen heeft, kunnen deze zich op verschillende manieren uiten in gedrag. Bij CAT wordt onderscheid gemaakt in de volgende uitingsvormen: apathie, disinhibitie of gemend (zowel apathie als disinhibitie). Welk gedragstype iemand heeft wordt in kaart gebracht doormiddel de Frontal System Behavioral scale. Iemand die de persoon goed kent, vult deze vragenlijst over hem of haar in. Het is van belang om de gedragsuiting te bepalen, omdat dit de oorzaak vormt waarom iemand niet tot het uitvoeren van bepaalde handelingen komt. Wanneer de oorzaak duidelijk is, kan een gepaste interventie (hulpmiddel) ingezet worden.

Apathie

Iemand die last heeft van apathie neemt weinig initiatief en vindt het moeilijk om te beginnen met een activiteit. Het kan voorkomen dat iemand helemaal niet start met een activiteit of niet alle stappen van een taak afmaakt. Interventies die ingezet worden bij iemand die last heeft van apathie dienen vooral gericht te zijn op het stimuleren, ook wel het aansporen van gedrag. Hierbij kan gedacht worden aan het versterken van prikkels. Hulpmiddelen die hierbij ingezet kunnen worden, moeten iemand helpen om makkelijker op gang te komen.

Disinhibitie

Bij disinhibitie is ongeremd en soms ongepast gedrag zichtbaar. Iemand die last heeft van disinhibitie reageert veel op (irrelevante) prikkels uit de omgeving. Iemand maakt taken niet af, doordat hij of zij afgeleid raakt en halverwege aan iets anders begint. Interventies die ingezet worden bij iemand die last heeft van disinhibitie dienen vooral gericht te zijn op het afremmen van gedrag. Hierbij is het van belang dat er zo min mogelijk prikkels in iemands omgeving zijn, zodat de kans dat iemand afgeleid raakt kleiner wordt. Ook kan het helpen wanneer iemands omgeving meer gestructureerd wordt.

Gemengd

Ook kan een combinatie van apathie en disinhibitie voorkomen, dit is het gemende gedragstype. Iemand met een gemengd gedragstype heeft moeite om aan een taak te beginnen, omdat hij/zij de situatie niet overziet. Wanneer iemand uiteindelijk met een taak bezig is, raakt hij/zij ook snel afgeleid en begint weer aan iets anders. Interventies die ingezet worden bij het gemengde gedragstype dienen enerzijds aan te sporen tot gedrag, wat betekent dat prikkels moeten opvallen. Anderzijds moeten er niet teveel prikkels in iemands leefomgeving zijn waardoor hij/zij steeds afgeleid raakt.